DE VILLA WORDT BERUCHT. 65
„Dan is de familie uit,” zei de burgervader met een ontprangde borst.
„Nee,” huilde Chris, „De buitendeur is op de grendels ... .”
„Ónmogelijk,” sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder, met den ge-meente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten, dat de ketting in de haken rustte.
„Vreemd” —, zei de burgemeester, na eene stilte.
„Angstig” —, sprak de dokter.
Nog eens gingen ze gezamelijk omhoog, elke kamer door-snuffelend, elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in ’n hoek op ’n matras.
„Bedwelmd — zonderling,” zei de dokter, den pols van den bediende aanvattend.
Kobus werd wakker.
„Wat is ’r? Wat mot je?” —, zei-ie slaap-ver-schrikt.
„Wat doe je hiér ? Waarom lig je niet te bed ?” —, vroeg de burgemeester gestreng.
„Dat weet ’k niet,” zei Kobus onnoozel.
„En waar is de familie?,” drong de burgemeester aan: „’ris beneden uitslaande brand geweest!”
„De Familie,” hakkelde Kobus, zich in z’n slaap-
Gevleugelde Daden. 5