190 TIENDE KAPITTEL.
een „provinciaal deskundige”, die beweerd had dat mijn schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat ’k voor zulke lieden niet teekende. Bij de tee-kening op pag. 61 moest ’k dit aandikken. Immers aan ’tslot der noot achtte ik mij zedelijk verplicht te melden: „Enfin de uitgever moet ’t weten Ik houd mij koel en ’r buiten.” Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij veroorloofde, op de waarlijk stuitende woorden van den auteur, maakte de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liep zonder den hoed af te nemen. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen — mogen we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid in acht worde genomen ? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening neerschrijven over den auteur Falkland, wiens populariteit een hoon is voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel De strijd, in het stadium gekomen
van het elkaar niet meer groeten, werd er intenser op. Motief d) Bij de inderdaad heerlijke tee-
kening op pag. 71 schreef mij de tegenpartij : „Wat betee-kent toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?” Om nadere informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekening ondersteboven had gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke enormiteiten. Bij
wijze van terechtwijzing, antwoordde ’k (pag. 71) „helaas
de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren.” Welk een afschuwelijke samenwerking, nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan geven. Nóg was ’t einde niet daar.
Motief e) Op pag 106, ter hoogte der uitnemende
illustratie van hemd en toren, berichtte ik reeds de uitspraak : „---- Schei in ’s hemels naam uit met dat g e-
knoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost..
...., eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z’n nagels van woede zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van het P. Z. 12 tot veel on-