HOLLAND IN DE WOLKEN EN ZEGEPRAAL. 191
heusche opmerkingen aanleiding. Ik draag frontjes, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men zich in het merk van een overhemd vergist. Vertoornd zeide ik tot
den uitgever: „Fiche moi la paix!” Toen, bij de teeke-
ning op pag. 113, meende mijn tegenstander geestig te zijn, door een paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth, Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op ’t papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in zulk een geval de uitgever niet schaamteloos gehandeld hebben, als hij die cho-colade-klodders hadde aangebracht? Bevend van verontwaardiging, onmachtig tegenover willekeur, weigerde ik de achtste en negende kapittels te v e r r ij k e n. Ziehier het overzicht — vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op gezond verstand — van de onverkwikkelijke verhouding tusschen een kunstenaar en een zaken-m a n. En na al de onaangenaamheden mij aangedaan — welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch! — had deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende wijze te verzoeken z ij n portret voor dezen bundel te teekenen. Ik weigerde medelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker genoegen in, voor slot-teekening, den niét in mijn geest schrijvenden, afstootenden auteur van dit boek (hoe vindt zoo iets ’n uitgever en ’n lezerskring ?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe. S. F.