HOLLAND IN DE WOLKEN EN ZEGEPRAAL. 189
twee jaar. Reeds lang had het tusschen mij cn dien heer gemot. Ik kan wel kunstzinnig samenwerken met iemand, die mij b e g r ij p t, maar als men me kwelt en spijkers op laag water zoekt, stuif ’k in breede verwoedheid op en smijt Neelmeyer tegen de vlakte. De litéraire lezeres, in deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen, mede door af-zichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam, heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de litéraire lezeres is door al het rumoer en gemoord reeds geïmmuniseerd. Om te betoogen, hoe goddelijk ’k verongelijkt ben, heb ’k slechts dit overzicht te geven: a) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit van verluchter inderdaad ontdekte, en ik hem tot zóóver hulde breng, werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat „de beknibbelende uitgever finan-tiëele en technische bezwaren had”, om die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze botsing evenwel niet tot uiting, daar zooals ik op pag. 35 schreef: „bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden.” De verkoeling was er echter. Wanneer men nachten op den steen arbeidt, met aanduiding van terra-cotta, crème, karmijnrood, dan ziet men niet gaarne zijn oeuvre zincographisch verknoeid. Ik duldde dat.
Mijne verdere motieven zijn: 6)... Bij de derde teekening op pag. 44 beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes, als-ie ’n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel, wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van ’n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen in artistieken arbeid. Waar moet het heen met de zelfstandigheid eens artiest s, als ’n werkgever hem achter de schermen met de punt van ’n voorsnijmes blameert ? Verkoopen wij kunstenaars onze ziel? Ik weerde de punt af, won het pleit
mèt krakeel. Motief c) Bij de teekening op pag. 50,
uitte ’k mijn wrok op bedekte wijze, door te zinspelen op