ANGSTEN EN VREDE. 161
schuld niet te zoenen door ’n speech van den burgemeester.
„Piet,” zei ze met aanzwellende kribbigheid, „hier heb je je zakboekje met je laatsten wil.” „Dank je, kind.”
„Pièt, ’t is goed dat ’r niks van gekomen is.” „Dat is ’t kind.”
„Nee, dat bedoel *k niet! Hoe kwam je zoo gek om alles an de gemeente na te laten?”
„Ik kreeg zoo die inval, kind.”
„En me zuster en ’r kinderen?”
„Die hebben ’t niet noodig,”
„Zoo,” zei ze vinnig, tegelijk glimlachend-groe-tend: „zóó — je doet die gekheden geen twééden keer!”
„Dat weet ’k nog niet,'5 verweerde hij zich. „Piet!” —, dreigde ze.
„Begin je weer kwesties te zóéken?”
„Dat was geen testament — dat was pure onzin — en ijdelheid — om je naam in de kranten te krijgen ...
„Daar spring ik voor van Jn toren,” zei hij geprikkeld.
Zoo tóch gezelligjes in den ouden lévenden toon kibbelend, reden ze het dorpje in, beminnelijk naar alle zijden de kennissen en dorpenaren toeknikkend.
Gevleugelde Daden. 11