160 NEGENDE KAPITTEL.
ten zonder feestlijken wijn — zóó hoog werd het moeilijk kurken te doen ploffen — begon de daling naar den beganen grond.
O, de vreugde bij de eerste stappen, op ’t grintpad, terwijl de politie salueerde, de vaandels bogen, de muziek fanfaarde, de menschen met hoeden en zakdoeken wuifden.
Voetstaps, in de landouwers, ging het dorp-waarts. Mevrouw zat naast Pieter — over hen Amélie.
In het tweede rijtuig kranigde het Dagelijksch Bestuur.
Overal groetten de bewoners.
Het was een Droom — eene ongedachte heerlijkheid.
„Pa — hoe éénig dat u *r zóó is afgekomen! Hoe heeft u ’t durven wagen met ’n kapotte parachute!”, zei Amélie, toen ze alles gehoord hadden.
Mevrouw zat zwijgend.
Nu ze hem weer had, hém dien ze ’n uur geleden als *n lief, önvleeschelijk wezen gezien — nu ze z’n verzakt boord, ongeschoren kin, bevuilde kleeding, in rauwe werkelijkheid aanschouwde, nu ze zich zelf ten spot voelde in z ij n pantalon, nu kregelde in haar de rijpe verdrietigheid, dat 't per slot van rekening alles zijn schuld was, eene