ANGSTEN EN VREDE. 159
Even zwaaide de arm van den politie-inspecteur over de borstwering, even tetterden fanfares.
„Mag ik de aanwezigen uitnoodigen,,, vervolgde de burgemeester: „driemaal aan te heffen: Lang leve de vliegende familie Zwaluw!”
Geestdriftig wérd he t geroepen, geestdrif tig brulde de menigte benee, die door de politie op een afstand werd gehouden.
Amélie at haar tweede broodje — ook mevrouw kauwde. De mensch deed zich gelden.
Toen kwam de president der rederijkerskamer, die in verscheiden gemeenten den roep had een uitnemend fuist- en feestdichter te zijn, naar voren, las een lang gedicht, dat hij in het rijtuig had geschreven. Het eindigde aldus:
Wij zullen aan het nakroost overbrengen Hoe gij gevleugeld naar deez’ toren kwaamt,
Hoe ’t noodlot uwe wieken deed verzengen.
Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt ?
O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters 3)
Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,
Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,
Dit hadden nimmer wij verwacht.
Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!
Vliegt jaren nog tot in 't zesd’ geslacht!
Vliegt zonder grens en zonder perken!
Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesm&cht!
Weer vielen fanfares in — toen na handdruk-
1) De s eene dichterlijke vrijheid.