158 NEGENDE KAPITTEL.
verheffing en aangedaanheid: „Dames en heeren — mevrouw Zwaluw — mejuffrouw Zwaluw — mijnheer Zwaluw — als hoofd der gemeente neem ik met gretigheid het woord om u geluk te wenschen met uw redding. Wij achten het een eer voor onze gemeente, dat hiér het eerst de vliegmachine in practijk is gebracht. De heer Zwaluw heeft mij, na zijn herstel, de geheele toedracht verteld, uw avonturen, uw lijden beschreven. Gelooft mij, dames, dat, wanneer we in de historie van ons ge-geliefd vaderland met eerbied den naam noemen van.... van.... van” — transpireerend in de stékend-heete zon, bleef ook hij stéken.
„Van .... De Ruyter” .... soufleerde de oudste wethouder op goed geluk.
„Néé,” beet de burgemeester af — en nog den naam niet te grazen nemend, vervolgde hij „ — van van de vrouw die bij Leiden’s ontzet..
„Kenau Hasselaar! — riepen een paar gemeenteraadsleden.
„ .... Juist mijne heeren — wat ik zeggen wou — van Kenau Simons Hasselaar — wanneer we met eerbied dien naam gedenken, dan zullen onze nazaten met misschien even grooten eerbied van de dames Zwaluw spreken, die met haar man en vader voor het eerst in ons land gevlogen hebben en manmoedig dit avontuur doorstaan...