ANGSTEN EN VREDE. 157
opdrongen om van de plechtigheid getuige te zijn.
Toen zette het hoofd der gemeente, der politie en der brandweer door, doch confuus en onhandig, beglimlachte hij het plateau, om het onver-togene te mijden.
„Kom u binnen, kom u binnen,” sprak mevrouw de hoofden in de luikopening toe.
Ze had weer haar ouwe tegenwoordigheid van geest, als gastvrouw van Casa Cara.
Het werd een kort, levendig gedrang.
Al de dorpsnotabelen, de gemeenteraad, het bestuur der harmonie, het bestuur der rederijkerskamer, de notaris, de dokter, allen waren present en ontroerd, toen de heer Zwaluw met een omzwachtelden voet omhoog kwakkelde en z’n vrouw en dochter ’n broodje en ’n zoen gaf.
Benee speelde de harmonie de marschen en ouvertures, die ze kénde.
„Ophouen! Ophouen! — riep de inspecteur van politie.
Er kwam stilte.
De burgemeester trad in het midden van den kring en eerst onvast, dan zekerder — dit was z’n dèrde speech in het openbaar: den eersten keer na z’n benoeming had-ie de eerewacht toegesproken — den tweeden keer de brandweer bij de overreiking der nieuwe spuit — zei hij, met