156 NEGENDE KAPITTEL.
Amélie en dol van uitgelatenheid begon ze op het plat te dansen, zoo wild te dansen, dat de uil ’r beduusd van door ging.
Benee werd het plechtig. Bij de struiken van Koepelsteyn zette de muziek fanfares in.
Mevrouw, doodsbleek, hing over de tinnen, keek, keek, boog.
Dan yr man herkennend, die 'n mand etenswaren, eieren, ham, boterhammen worst en broodjes op z’n schoot hield, hernam ze haar waardigheid van vóór de groote Ellende en snauwde haar dochter toe: „Amélie! Amélie! Schei uit met je gedans. De burgemeester, de wethouders zullen denken, dat je stapel ben!”
„Dat ben ’k ook ma! Eenig! Eenig!”
Voor het eerst sinds zwaar-zure uren hersprak ze dat woord,
„Amélie,” zeide mama nog eens gestreng.
De trap benee steunde en kraakte.
Het luik schoof.
Het hoofd van den burgemeester werd zichtbaar. „Mevrouw — dames,” begon hij. Verlegen ver-dween-ie weer, omdat de dames Zwaluw in zulk kostuum een weinig landlooperig deden.
„Kom, burgemeester — wat doet u nou?” —, gromde de oudste wethouder in het duister van het gat. Hij geraakte in de verdrukking, zóó als ze