ANGSTEN EN VREDE. 151
broek — welke deernis waardige herinnering! — besnikte mevrouw het Verleden.
Pieter Everhardus Zwaluw — zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte en materie verlangde — gebaarde thans in hare verbeelding, met een zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.
Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanigheden verzwommen.
Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die vrééselijke oogenblikken het zonder-ling-aangrijpende der gansche Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijn goedheid en voortreffelijkheid zet (nadere scheurkalender-vondst).
Hoe dikwijs had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij andere dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....
Hoe had zij, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op *t folterbankje der-ik-heb-’t-laatste-woord mishandeld.
Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat hij als eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter, de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.