150 NEGENDE KAPITTEL.
antwoordelijke opsluitingen, als waarvan wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten in het gemeente-mu s eum bewaard blijven, als aandenken aan hen, die zoo hoog in de wolken een marteldood zijn gestorven. Pieter Everhardus Zwaluw."
„De èngel!”, nokte mevrouw voor t éérst van ’r leven na de lang-geleden bruidsdagen in de Charcuterie.
Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die te laat de schoonehoedanigheden eens echtgenoots ontdekt — Amélie schreide heftig.
Zoolang de Menschheid bestond, had geen torenplateau zulk desperaat gerucht vernomen — geen toren van Barneveld — geen van Solness — geen Notre Dame.
Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dat.
Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig — gekerkerd op een om weerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter omlaag is gesprongen — ’t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.
De handen wringend in de buurschap van den uil die de daad had gezien, de beenen in zijn