148 NEGENDE KAPITTEL.
Op den toren van Koepelsteyn geschiedde inmiddels eene andere dièp-tragische gebeurtenis.
Amélie eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap — de jeugd slaapt op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid groeien — welk een scheurkalendervondst! — Amélie keek verrast om zich henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend,,
Ma sliep nog, ’t hoofd op haar knie.
Nee, ze zou zich niet bewegen — ma had ’t zoo noodig.
Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.
En in angst-reflex gilde ze: „Ma! Móéder!”
„Wat is ’r?” —, vroeg mevrouw dood-van-slaap.
„Pa is wèg!..
„Wat zeg je!”'—»schreeuwde mevrouw wakker geknoet.
Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was geen vergissing mogelijk ’t Plateau was te overzien.
„O,” zei mevrouw angstig.
„O — O!” —, huilde Amélie: „hij is van den toren gesprongen uit wanhoop!”
Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen en groen.