ANGSTEN EN VREDE. 147
„Wel gedorie!”, vloekte de boer: „as je ’m nie o verneemt zet ’k m op ’t stoepie!”
„Dat zei jij wel late, man. Dan zou ’k jouleelijk bekeure!”
„As-die nou toch van z’n zelve leit,” raasde de boer: „mot ’k 'n gek houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen te zetten. De wagen is mijn eigendom ... .”
De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten, klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in ’t blauw-bleek gelaat van een der geheimzinnig-verdwenenen.
„Da’s léelijk,” zei-ie: „da’s meneer Zwaluw — en die is dóód. Waar hei-je ’m gevonden?”
„Hij is nie dood,” zei de boer ongerust: „Help ’m maar na binnen drage . . ..”
In de wachtkamer, op ’n paar stoelen, leien ze ’m neer en daar met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de geheimzinnig-gruwelijke woorden — in verband met de moorden van Kobus-den-huisknecht: „mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”
„Dadelijk de burgemeester hale!”, gelastte de brigadier: „zoo iets schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht lévend verbrande ....”