140 NEGENDE KAPITTEL.
barig gegild had, hurkte als een Indiaan bij het vredesvuur.
Er waren eenige kansen ter overweging: — verhongeren (wat géén kans kon heeten) — vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende oogen mooglijk dood neerstorten — vrouw en kind niét wekken en de reis naar de Le the op eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.
Met zware rimpels in ’t voorhoofd en saamklit-tende wenkbrauwen, stak hij z’n laatste sigaar op, deed ’n paar trekken.
Anders fleurde ’n sigaar ’m op — in dat bar-vroege ochtenduur miste ze ’r inspireerende werking.
Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de voor-voeling van den val — de zuiging — ’t houvast-verlorene.
Dieper boog z’n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven de rimpels in ’t voorhoof ds vel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.
Dan vast-besloten, met ’n cynisme, waarvan de herinnering 'm nog in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast, lei z’n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van *r op ’t plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in ’t knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner of wandeling, ’n bouton de rose had gegeurd.