ANGSTEN EN VREDE. 139
’n lengte van vier meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op een doodensprong maakte vier meter geen verschil.
Toch passend en wikkend — pruimend op ’t pitje der kaars — bleef-ie in berekening — tot-ie bijna van verrassing gilde. Z’n knutselende vingers hadden den knop van Amélie’s parachute aangeraakt. Nagenoeg gaaf veerde de parachute uit de stang, ’t Leek niet te gelooven.
Eergisteravond was-ie ’n kuiken geweest, *n lo-gisch-redeneerend kuiken.
Want toen-ie na ’t vlammen-onheil en na de bekoeling der aluminium-latten de twee bovenste parachutes onderzocht had en i n de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie’s onderste vliegmachine te aanschouwen, die in ’t felste van ’t brandje geweest was.
Dit was een wonder.
En ’n domheid.
Had-ie toen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, fn glim, want héélemaal gaaf was de parachute niet.
Bij één balein was de zijde ’n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde of kantelde, kwam je ontzield neer.
Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie niet voor