138 NEGENDE KAPITTEL.
Hij hield ’t niet uit.
De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.
Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die *m toch ééns moest ontvangen.
Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geen fatsoenlijke begrafenis hebben.
O, gruwel — misschien zou *t na wéken de aandacht trekken, dat zooveel raven om de ruïne saam-schoolden.
Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken, en ineens bukkend raapte hij ’t miniatuur-ommeletje der uitgebrande kaars, proefde er met de voortanden van — gelijk-ie als knaap had gedaan van ’n tablet chocola.
Het wàs te eten.
Van honger krankzinnige zeelieden hadden mekaar wel geslacht en verslonden.
Bij dàt vergeleken was stéarine eene délicatesse, een versnapering, ’n greep uit 'n bonbonnière.
Gulzig kauwend op ’t eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen niet te wekken — wie wist waarvan ze droomden? — herinnerde-die zich niet van de Hoogere-Burgerschool ’t nooit begrepen spreekwoord: „qui dort dine....”? —, nam-ie de vliegmachines in z’n handen.
Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen