KOBUS WORDT GEARRESTEERD. 133
„Wat heb jij met je mevrouw, je meneer, je juffrouw uitgevoerd ?” —, sprak de burgemeester, als ’n scherprechter.
„Weet ’k niet,” antwoordde Kobus voor de derde maal.
„Dat weet jij wèl,” drong de ondervrager aan.
„Nou dan weet 'k ’t wel,” zei de knecht onbeschaamd: „’k Heb ze opgevrete — nou hoor je ’t!”
Chris plofte van de trapleer in de aucuba’s — de agenten knepen sterker de boeien.
„Hou dien kerel vast tot ik huisonderzoek heb gedaan,” gebood de burgemeester.
Met de revolver in de hand, manhaftig, inderdaad alléén, inspecteerde hij 't geheele huis, de kasten, de buffetten.
Zelfs ónder de bedden zochten z’nloerendeoogen.
In de badkamer was ’t water nog aangenaam lauw — in de eetkamer sloeg bruine damp uit den drooggestookten theepot.
Resoluut blies de burgemeester de spiritusvlam uit, betastte de nog warme eieren.
Een raadsel, een gruwelijk raadsel.
Er was géén achterdeur.
Zwaluw had destijds .... gelogen.
En nu was-ie misschien dupe van die leugens geworden.