134 ACHTSTE KAPITTEL.
Besluiteloos keek de detective uit het zolderraam — er waren voetsporen in den groenen aanslag.
Dat was iéts.
Op ’t dak waagde-die zich niet.
Wie wist wat ’t dak verborg....
Dat zou-ie laten onderzoeken.
Besogne voor agent Stips, die vroeger glazen-wasscher geweest was.
Omlaag gaand, trok ’n vochtige plek op het portaal z’n aandacht.
„Voor ’t laatst,” sprak-ie met hoog-roode kleur: „voor t laatst vraag ik je, kerel, wat ’r met de familie is gebeurd!”
„Ze zitte in me zak,” zei Kobus nuchter.
„Waarom heb je de meid met móórd bedreigd?”
„Da’s mijn zaak ....”
„Hoe komt 'r boven op ’t portaal zoo’n vreemde vlek, man?”
„’k Heb de honde niet kenne uitlate. — En verder doe ’k geen bek meer ope.”
„In naam der wet — arresteer ’k je,” zei de burgemeester: „breng dien man naar den post, agenten!”
„Langs ’t laddertje?” —, vroeg die van de spataeren.