128 ACHTSTE KAPITTEL.
Persoonlijk schelde hij aan — aan dè deur, net terwijl Kobus van ’t dak naar binnen kroop.
Twee, driemaal moest hij den knop berukken.
„Wie daar?” —, vroeg Kobus door 't luikje — hij zag den burgemeester, niét de agenten.
„Ik wensch ménéer te spreken,” zei de burgemeester kort van toon.
„Meneer is nog niet bij de hand,” antwoordde de huisknecht aller kalmst.
„En mevrouw?”
„Mevrouw — mevrouw,” hakkelde Kobus zéér vluchtig — hij zou er op los liegen tot in ’t oneindige! — „mevrouw is op de badkamer, burgemeester....”
Doorgaans was zulk een antwoord tegenover een bezoeker van Casa Cara voldoende.
Vandaag ketste ’t.
„Ik wil mevrouw positief spreken” —, zei de burgemeester gestreng: „desnoods öp de badkamer !”
„Wacht u dan ’n oogenblikkie,” loog Kobus meesterlijk: „dan zal 'k ’t vrage.”
Kalm mepte hij t luikje dicht en ging op de trap zitten transpireeren.
As-ie praatte raakte-ie z’n baantje kwijt, onherroepelijk kwijt, had meneer gezegd.