126 ACHTSTE KAPITTEL.
De brigadier keek van de naaidoos naar Chris* bevenden mond.
Hij had ’r wel gekker gezien van z’n leven, maar niet zoo gaaf.
„Meid,” zei-ie pootig: „jij bent niet goed in orde!”
„As je me niet gelooft!” — snikte Chris ’r plots gierend op los — zooveel electriciteit móést nat geven! —: „ga je dan overtuige! De bedde binne leeg — enkel de rokke hange d’r — hij heit ’r weet van — hij wil me vermoorde as ’k ’r van vertel ”
Nog zou het sensatie-geval in donkere windselen zijn gebleven, daar de brigadier te gestreng en Chris nü te ontdooid was, als de burgemeester niet binnen getreden ware.
De welEdelachtbare, uit z’n humeur omdat-ie zonder boter had ontbeten — in de warmte was ze sterk geworden — de boer kwam maar ééns in de week —, de wel-Edelachtbare onder de impressie van z’n nacht-lectuur — in de late-avond-stilte had-ie juist den detective-roman Een geheimzinnige verdwijning verslonden, vér-slönden: ambtshalve, om zich te goed te doen aan de spitsvondigheden van zulke héerlijke detectives als daar ginds —, de wel-Edelachtbare werd onmiddellijk aandachtig, toen-ie Chris voor