KOBUS WORDT GEARRESTEERD. 125
logeer-kamer binnen, sloot de deur, greep ’r naaidoos, liet zich zonder aarzeling uit het venster vallen.
Op handen en voeten kwam ze in de teelaarde van ’t a u c u b a-perk neer, schokte overeind en den horlogemaker voorbij-schietend, die de klokken kwam reguleeren, holde ze op 'n draf naar ’t politiebureau, naast ’t nieuwe Brandspuithuisje.
„Wèl?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die net ’n folio-blad zat te linieeren, omdat-ie anders in hobbelende lijnen schreef: „wèl?”
„Asjeblief!” zei Chris, ’r naaidoos met de lootjes overreikend: „asjeblief — da’s om te beware!”
„Hei je dat gevonde?”, vroeg-ie met wetsrimpels in z’n voorhoofd.
„Néé,” hijgde Chris, ’m ineens met ’r verwee-kende ver-steening overdonderend: »nee — ze binne van mijn — de nommers hei ’k in me beurs — Kobus wil me vermoorde - de bedde binne leeg!”
’t Natgelikt potlood-stompje, nog maagdlijk van proces-verbaal des dags, ontviel den omhaarden lippen.
Het was te veel ineens.
„Wat kléts je meid?”, vroeg-ie streng.
„Enkel de rokke hange over de stoel” —, gaf ze als knal-donder toe.