124 ACHTSTE KAPITTEL.
Chris, zelfs niet oog-knipperend, staarde be-wustloos van Kobus naar den stoel met mevrouw’s katoentje en Amélie’s zomersche jurk.
Ze voelde dat ze voor 'r behoud èn voor ’t behoud van ’r naaidoos met de amsterdamsche lootjes, tegenover den verdachten huisknecht koelbloedig moest zijn.
Anders stroomde ’r bloed.
„Ik zal niemand wat zegge,” sprak ze, nog steeds in den muur, in de witkalk: „als jij maar zeker weet datte ze thuis binne.”
„Dat wéét ’k ”
„Zeg ze dan” —, praatte ze met versteende tong en wit-doode woorden: „dat 't bad vol ge-loope is.”
„Dat zal ’k ze zegge,” beet hij haar nijdig toe.
„En datte de eiere koud worde” —, bracht ze ’r ont-zield, tegel-kil uit.
„Dat zal ’k! Dat zal ’k!” —, riep Kobus de zoldertrap opkiepèrend, gevolgd door Tutu en Zo, die gezellig blaften en lustig de gang bevuilden, omdat ze moeilijk door ’t deurluikje uit gelaten konden worden.
Chris bleef een oogenblik zoo loodrecht als de muur.
Toen, gedragen door ’r koelbloedigheid, stapte ze de wijde diepten der trap-treden af, ging de