122 ACHTSTE KAPITTEL.
„Zet niet zoon smöèl op!” —, raasde hij, de schippertjes, die mee begonnen te keffen, ’n trap gevend: „wat doet t r toe of ze leeg binne!”
Het was geen correcte uiteenzetting.
Het bad wachtte.
De thee kookte.
De eieren versteven.
In eene behoorlijke familie pleegt men zichtbaar op te staan.
Chris, nog niet te dreef na de vroegere ellende, de vele schrikken, de koortsvisioenen, keek in de leege, gesoigneerde slaapkamer.
De zijden sprei lei zonder 'n rimpel — er waren geen kleeren — geen bottines.
Alleen op n stoel, luguber-verlaten, snel te hoop geworpen, puilden de rokken, de rokken van mevrouw en juffrouw Amélie, de rokken die ze den vorigen avond hadden gedragen, toen ze naar bèd gingen.
„O, Kobus" —, hakkelde Chris, naar lang de drié klinkers rekkend: »Ze binne dr niet! En de rokke, de rokke ...
„Zou je ophoue met je gebler!”—, zei hij, grimmig: „doe de deur toe!"
„O, o" —, klaagde ze, geelbleek van ontdaanheid: „ik blijf geen menuut langer hier!"
„Zie dat je de deur uit komt, kuiken!” —,