EEN TRAGISCHE DAG. 117
De man keek niet op, strompelde moeilijk.
Als bezeten schreeuwde pa, ’t hemd met forsche rukken zwaaiend. De man keek niét.
„Ach, ach,” zuchtteAmélie, „noubegin’k’nbéétje te begrijpen wat schipbreukelingen voelen, als ze in ’n bootje dobberen en ’n groote schuit voorbij stoomt! Man! Hé! Meneer! Hé!”
De man keek niet, stapte ’t kerkhof langs in de richting van ’t dorp. Z’n gelaat konden ze herkennen. Ze hadden in elk opzicht pech: ’t was de bijziende, doove bedelaar, die eens in de veertien dagen de villa s afliep.
„Hónderd keer heb ’k ’m centen gegeven — de ezel!” —, klaagde ma.
„Hé!” —, brulde meneer nog eens en nog eens. De man verdween.
’t Begon stevig te regenen.
„Half twaalf,” zeide mevrouw triestig: „op ’n begrafenis hebben we vandaag géén kans meer.” „Nee,” heimweede Amélie. Nooit, nooit werd ’t later dan elf, om vóór koffie binnen te zijn.
Verkleumd door den wind en door-regend, hurkten ze bij mekaar, om beurten over de tinnen kijkend. Nou waren de bakker, de melkboer, de slager, de kruienier, de klokkenmaker, de naaister, de man van de gasfabriek, de timmerman, de loodgieter, voor ’t luikje met Chris’ ontdaan gezicht gewéést.