116 ZEVENDE KAPITTEL.
„Nou, Pièt,” dolk-stak mevrouw: „wat zeg je daar van?”
„Ik zeg niks,” zei hij geslagen: „ft wordt’n miserabele historie. Misschien beleven we de oplossing niet.”
„O, o,” snikte mevrouw, haar tranenloop van den nacht hervattend: „zoo troost-ie je— zootroost-ie je ...”
Meneer antwoordde niet. Grimmig stond-ie op, sloeg de smullende vliegen van de worst en z’n zakmes openend, begon-ie de vermolmdste planken te bewerken.
„Pa, wil ik u hèlpen?” —, vroeg Amélie, thans ook down: „’k heb ’n nagelschaartje” ....
„Nee,” weigerde pa stug, ’t mes bekijkend dat al dadelijk ’n punt verloor. Ijverig peuterend, krabde hij, ’t hoopje vezels te zaam vegend, tot die op gezond hout stiet — en ’t mes bij ’t heft knapte.
„Wel vervloekt!” —, zei-ie driftig.
„Als we weer vliegen, nemen we postduiven mee, pa — vin u niet, pa? — dan kan dat ons niet overkomen — hè, pa? dan, dan....”
Pa zat in versteend zwijgen.
Tegen elf uur scheen de verlossing te naderen, ’n Man stapte aan door de struiken.
„Goddank!” —, riep mevrouw, omlaaghé-hé-end.