EEN TRAGISCHE DAG. 115
Het laatst gram genoegens was heen. De heer Zwaluw zat bezorgd op de groene planken van den toren.
De duiten, die hij in ’t zakje te doen had, hield-ie verstandig voor zich.
Hij had ’n timmerman besteld om tien uur en ’n loodgieter om half elf, voor geknutsel in z’n studeerkamer.
’t Zou ’n opstoot worden van belang.
Meneer, mevrouw, de dochter uit ’t huis verdwenen — de deur op slot — en Kobus die orders had z’n mond te houden ....
semloos. Derhalve dreef ’k op m’n fantasie, ver-wormsteken door kerstboom-souvenirs. Het groen bladdert niet voldoende, doch de wulpsche vrijmoedigheid der Lente is er in. Ten overvloede verlokte mij de beeldkeuze van den auteur, die nederschreef: „Hij kalde in schrik, voor z’n geestesoog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend” Dat kallen in schrik schijnt mij voorbeeldig in het struikwerk bereikt. De sensatie althans. Het onwezenlijke. S. F.
P. S. Ofschoon ’t zeer hinderlijk is, bij een noot ’n P. S. te voegen, moet ’k alsnog observeeren, dat de zwarte moppen, rechts van de teekening, zoogenaamd abusievelijk in cliché zijn gebracht. Vermoedelijk zijn dezelve mij in de December-dagen van 1904 uit de pen gewiegeld bij de lezing van eenige onaangename pers-beoordeelingen over ander werk. Mon Dieu, men is mènsch. Schokloos gaat ’n critiek aan niemand voorbij. Zal de Pers dan nooit leeren ?