114 ZEVENDE KAPITTEL.
kan 'r vermoedelijk niet door. Misschien—”
Hij kalde in schrik, voor z’n geestes-oog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend.
^En de beambte van de gasfabriek,” ijlde mevrouw : „die eiken tweeden Zaterdag van de maand komt” ....
„Die kan 'r ook niet door,” knikte meneer, de sigaar, die uit was gegaan, bestarend.
„En we krijgen vanmiddag visite van deLeurings, pa — ze komen zeker”....
„ Wat ’n schandaal! Wat ’n opschudding,” praatte mevrouw over de tinnen — „en daar éét hij bij — daar kan hij bij éten!”
modern comfort te ontwikkelen. Ik kàn het. Het ligt in het bereik mijner veelzijdige gaven. Parole d’honneur! Links, dadelijk nààst het trappenhuis, heb ’k gepoogd, struikwerk, bloeiende heesters, aucuba’s, hulsten, rhododendrons etc., in weligen bloei, te verluchten. Evenwel — en ’k zeg dit in volste openhartigheid, daar ’n liegend kunstenaar ’t allerbelabberdst wezen van God’s schepping is — het was mij niet geoorloofd en vergund deze lieve natuur-dingen naar de Natuur te neelmeijeren, om de eenvoudige reden, dat ’k deze voortreffelijke schets in de maand December 1904 op de Stadhouderskade 64 te Amsterdam, voleindigde en ’k voor éénige natuur keien en opgebroken wegen (voor de rioleering) aantrof. Meerderen zullen dit kunnen bevestigen. Welnu, het is alleen den illustratoren-bij-de-gratie-des-Heeren gegeven, om heerlijke voorjaars- of zomerbloesems des winters te belijnen. La nature vue à travers d’ un tempérament... Mijn temperament zag kniezige wegen, onzindelijk, bloe-