EEN TRAGISCHE DAG. 107
thuis aarzelde-die zelden als fr gezicht de speciale wrange trekken kreeg, die elk man van z’n vrouw, elke vrouw van ’r man kent, de speciale èn wrange èn positief-waarschuwende, waarvan ’n vreemde geen weet heeft, waarvan niémand het innerlijk wezen ontleedt —, de speciale èn wrange innig-aan-’t-dierbaar-gelaat verbondene, die tot het tééderst huwelijks-spel behoor en, omdat je alleen aan zéérgeliefden ’tprofond négligé van je materie en je ochtend-humeur toe-vertrouwt.
Thuis zou Pieter Zwaluw snel hebben afontbeten, wéter der beteekenissen van groeven, schaduwen, vermagerinkjes in en om twee bekende oogen —, hier, op de ruïne van Koepelsteyn, stond je weerloos.
Man en vrouw waren beslist niét geschapen
hemd van grootcr noodlot, zelden heeft mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval, zelden werd het floers voor m’n oogen troebeler, intenser dan bij déze krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, nader uit te meten. Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht ik er aan te verklaren, dat eerst toen ’t cliché gereed was, mij de pijnlijke fout opviel van het P. Z. 12. Een zoo gedistingeerd heer, met ’n villa, ’n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf overhemden, ’k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen, door de bewogenheid van ’n gemoed bij het inleven in de stemming....
S. F.