100 ZESDE KAPITTEL.
realistischen, materialistischen tijd nog wat echte Romantiek geboren werd.
„Eet jij levende vleermuizen, idioot!” — schold mevrouw: „daar heb ik goddank geen opvoeding voor gehad.”
„Misschien heeft je vader erger dingen inde worst gedraaid,” vroolijkte Pieter, probeerend z’n goed humeur te bewaren.
„Mijn vader heeft zijn vrouw tenminste niet op torens geplakt” —, zei mevrouw hautain.
„Nacht,” antwoordde hij, languit neder liggend: „ik zal 'r van nemen wat fr van te halen valt.” „Dus ik moet wakker blijven ?” — vroeg ze stroef, „’r Is ruimte genoeg,” lachte hij.
„Pa,” zei Amélie nederhurkend: „we zitten als in 'n belegerde vesting” ....
„Precies,” geeuwde hij: „zoo heeft ook eens Jan van Schaffelaar gelegen — belegerd door Perrol met de rooie hand. — Da’s ’tprachtigste boek dat ’k ken. Als ’k weer thuis ben, zal ’k 't je moeder laten lezen” ....
Denkend aan De Schaapherder begon-ie te snurken.
Mevrouw in ’n hoek, den zakdoek om ’r hoofd voor de griezelige beesten — jammer dat ze geen rok had! — probeerde te slapen, schrikte telkens wakker, als ’n vleermuis neerstreek.