98 ZESDE KAPITTEL.
„Dat weet de hemel,” zei meneer: „weken aneen komt hier geen levende ziel. En als we verhongeren moeten, verhongeren we met mekaar — da’s ?n troost.”
Hij blies de acetyleenlamp uit. De sombere stemming versomberde, ofschoon de sterren lieflijk schenen en de stilte aanbiddelijk was.
„We zijn voorgoed ridikuul,” snikte mevrouw. „Da’s ’t minste,” antwoordde hij poenig.
„?k Ben dood op.”
„Ga liggen!”
„Liggen op die smerige planken ? Voor geen goud!” „Je zal wel moeten, kindlief. Wil je mijn jas hebben?”
„Nee,” zei ze driftig: „’k verlang naar me bèd!” Zwijgend over mekaar, tusschen de donkere wallen van den toren, keken ze van de sterren naar de diepten terzij.
’t Proper mane-sikje belichtte de zerken van ?t kerkhof, de stompen der ruïne, de zware struiken. Geen schim-van-’n-geluid was te hooren. In ?n woestijn kon *t niet eenzamer.
„Eenig” ...., begon Amélie weer, maar snel dat ophitsend woord verslikkend zei ze: „eenige troost is ’r, dat Kobus zal zóéken” ....
„Dat zal-ie niet,” viel pa ’r in de rede: „hij zal z’n mond houen” ....