PERROL MET DE ROODE HAND. 97
„’t Is waarachtig ’n beroerde zaak,” rekende Pieter: „ééns in ’t jaar, op koninginnefeest, wordt de vlag geheschen. Dat duurt nog wel n maand’' — „Misschien wordt ’r gauw iemand begraven,” hoopte Amélie.
„God geve 't” —, sprak de heer Zwaluw geheel down: „we zijn als vlinders bij de lamp — we hebben onze vlerken geschroeid.... ’t Is leelijk, heel leelijk. Zal k de acetyleen uit doen?”
„Nee,” bitste mevrouw; „’k dank je voor je donker”....
,/t Is me eenige lichtvoorraad,” sprak hij nadenkend ; „anders zitten we morgennacht zonder iets”... „Morgennacht?” — schrikte mevrouw. „Morgennacht ?”, zei ook Amélie, ’n weinig angstig. „Natuurlijk,” zei meneer: „’t Kan best twee, drie dagen duren. We zullen op rantsoen moeten leven. Wat is Jr nog?”
„’n Halve bus sardines, pa, en de broodjes en de leverworst — de kouwe kip hou je niet goed”....
„Als je nou denkt,” begon mevrouw onbekookt te ruziën: „dat ’k zoo volslagen gek zal zijn, om hier ’n paar dagen te blijven” ....
„Ik dwing je niet,” zei Pieter gemoedelijk. Je kan geen ijzer met handen breken, noch van torens omlaag stappen.
„Pa, is ’t uheusch ernst dat ’t zóólang kan duren ?” Gevleugelde Daden. 7