240 DE DERDE KLEINE VERSCHRIKKING.
„ ... We hadde ’m motte tellegrafeere. — Nou die ’t niè weet dat Bram is gestorreve — nou die ’t niè weet, mag-ie nie daalijk — mag-ie nie met de deur in huis valle......Zeg ’m dan ... Zeg ’m dan" ...
»Moeder — as je lüng blijf stilstaan over niks, is de boot an! Nou mot u ’t zellef wete! Wij zegge geen woord meer!”
Dat hielp.
Voortstappend, met ’n gelaat dat door zachte tril-linkjes in de ouwe velscheuren beschichtigd werd, sneller van kauw-rukjes en kaak-gewiegel, hield ze ’t vol tot de kaai, waar bootwerkers loopplanken aanrolden en meerdere menschen te-praat stonden in wachting van de boot met de kolonialen.
’t Duurde lang, oneindig lang, eer-die meerde, eer de kabels gegrepen waren, eer de loopbrug gelegd.
In ’t gedrang van de andren, stonden ze in gejaagde zoeking, telkens meenend Sally over de hooge, steil-klimmende verschansing te zien.
Oom Mau, pak-an van stap, liep 't heele schip langs, kijkend met licht-dronken oogjes tegen de zon-plassing in. Selien, die moeder alleen had gelaten, drong bij de loopbrug, die op werd geheschen.