176 DE TWEEDE KLEINE VERSCHRIKKING.
yen — werd machtiger over haar de aandompende dingen-mist, waarin winkeltjeszaken, billetjes van 'n klein traplend kind — heel vaag èn verdoezlend als wapper van kaarsvlam in donker. Bij ’t spreken over dooie Kniertje, over w&t ’r gebeurd was, wat ze gedaan had — sprak ze in sfeer van huilrig-geklaag-o ver-Aagje — sprekend van Kniertje, tobbend over Aagje — huilend om Kniertje, als ’n aanleiding, ’n prikkel, zooals ze over de natte lucifers, de klon-tende zuurtjes, het onweer, het harmonica-gespeel gehuild had. Ze voelde verlichting als ze huilde en wanneer ze huilde, sprak ze het minst verward.
Zoo ze nu griende, leunend tegen den deurpost, bleek, het gezicht vermagerd, met schichtige vel-trillinkjes om ’t uitspringend gebit, was weer ’r klacht over de moeder en ’r verdrietig gemurmureer bij Aagje.
„Ja — ja,” knikte de piendere vrouw van den bakker, nauwlijks nog luistrend, wieblend, niet wetend hóe ze weg zou komen. Maar mèt dat muziek in den stal van Engel Gooi, na ’n pauze die langer geduurd had, weer krakend van pianogerinkel en pistonistengesnerp door de opene deuren tetterde, kwam van het volk voor de koekkraam, langzaam zeurig Jannie met de kan.