DE TWEEDE KLEINE VERSCHRIKKING. 175
roestigen ketting an ’n paaltje dompte .... Haar verdriet was ’n deel van haar lichaam geworden, zooals ze voeten, beenen, armen, ’n hoofd had. Er was ’n altijd leege kla-ging, ’n zeurige huilerigheid in ’r, die eiken schok of smart tot denzelfden kring van kniezing terugbracht. Eens was ze gaan zitten huilen omdat ze de lamp wou an-steken en de lucifers nat waren, allemaal nat met afpoederende koppen — eens omdat de zuurtjes in de stopflesch klonterig kleefden — eens bij onweer omdat ze de slagen niet hóoren kon — eens toen Engel op de harmonica speelde. Soms had ze uren van rustige goedigheid, andre van gejaagdheid en angst. De dood van ’r moeder had ’r niets gedaan, niet verschrikt, niet verrast. Bij Aagje was dat anders geweest, maar ook toen was het klagen eerst gekomen met de leegte, toen 't kind er niet meer was. Al wat ze zég, hoe roerloos ook, was van het dorp, van het straatje, eigendom van ’r leven. Nu de neergelaten gordijnen, op de eerste verdieping, het aspect van het huis verzwaarmoedigden, de kist in het kamertje stond, waardoor heen ze telkenmale moest, om in het keukentje, dat ze behuisden, te komen — Jannie en Suus fluisterend spraken — nu het huis vreemds had, schemer van witte gordijnen èn ’n bruine kist in ’n hoek met matglanzende schroe-