DE EERSTE KLEINE VERSCHRIKKING. 125
de über-rouw kan op zenuwen werken. Ook hier, in dit waarlijk droevig geval, dreigde ’n lach-krieweling, omdat wij vijven, de president der muziekvereeniging, de aardappelboer, de schoolmeester, de kok en ik, wij met onze vijf hooge hoeden en onze zwaarbeslagen, zwijgende, wijsgeerige schapekop-gezichten onduldbaar mal geleken bij de open-kierende kast met de wittebroodjes en de krentebollen, die in ’t zand hadden getold.
Baams sprak het eerst na ’n lange, pijnlijk-hitsende stilte. Z’n handen vouwend en wrijvend dat ’t kurkig door de kamer ruchtte, zei-ie enkel domp-van-betoog:
„ J&-ja — ik zeg j&-j&” ...
„Ja-ja,” bevestigde de kok, die ’t volledig begreep.
„’n Ongeluk leit in ’n klein hoekie,” sprak de president der muziekvereeniging, zinnig ’t hoofd knikklend.
„Jammer, jammer dat ü d’r niet eerder bij was,* zeide de hoofdonderwijzer mij direct toesprekend.
„Ja — ja,” antwoordde ik en weder versmolten wij met onze vijf hooge hoeden in eenzame stilte. Een streep zonnelicht, kirrelend langs de witte gordijnbal-letjes, lijnde recht naar de krentebollen.
Toen werd er nog eens gescheld en dadelijk slikte de muziekvereeniging-president, die net was begonnen met ’n „heit u gehoord van z’n slotwoorden in.