Doch naderbij was het wel gruwlijk, wel in-faam-wreed.
De oude goudkop had een hevig-bloedende wond boven een van de pooten. Waar ze liep vielen druppels dof-rood bloed. De schelpen in de ren hadden op ’r kalken lijfjes purpren spetten — de zitstok bizar-roode stippels. En telkenmale als een drup viel, bukte een Minorca-kop, slurpten ze ’t bloed dat de bekken met vurige branding belei. De haan had een puilende spet op z’n borstveeren, de kippen liepen nerveus, driftig zoekend, toeschietend als ’n schelp gekleurd wier.
Eèn Minorca, kittige vechtersbaas, die wéken -lang den goudkop geplukt en gespoord had, liep nu als ’n duif. De wond scheen ze te wéten. Gulzig bukte V bek bij den pluimstaart en slokte en slurpte. D’r snavels waren als ’n wond zoo bloedend en vurig.
„Haal ’m *r asjeblief uit,* zei m’n vrouw: „de ellendelingen! *k Eet geen ei meer van de draken!*...
Ik greep.
Maar de goudkop machtloos door bloedverlies, zakte in mekaar.
En de Minorca’s nauwlijks lettend op m’n gedreig, hoopten vechtend saam, boorden de bekken in de wond.
De goudkop was dood.
Waarlijk — ’t is geen gèkheid — eindigde cynische Henk — maar in de Beschavings-situatie van beesten is géén plaats voor stokoudjes. Ze drinken zelfs mekaars bloed. Wat menschen vermijden ......
i November 1902.