174 OUDE WIJS.
„ ... Jullie draken van béésten!... Wat heeft
de óüwe je gedaan? Ga je weg!... Laatje
’r eten! Lam dier van *n haan! Bijt dan de andre! Ben je wel wijs, beest! — Kom jij maar hier, schaapie — Hier heb-ie ’n blaadje sla! Blijven jullie ’r af! Versta je niet? Wacht is even! Daar! Daar! *k zal je leeren!____*
De bezem sloeg op *t vlechtwerk dat de drieste jongere bezeten vlogen......
Een dag, na al ’t gekakel, geschreeuw, gepluk, was ’t wonderlijk rustig in de ren. Ik zeg wónderlijk, omdat ’r ’s avonds nog ’n geplukhaar van belang was geweest en de veeren gestóven hadden
— gouden veeren, zwarte Minorca-veeren. Van uit ’t raam zag ’k den goudkop behoedzaam pikken. Ook de kuikens en de haan liepen rond, zonder gevecht en nijdasserij. Ziezoo — de nieuwste generatie, met den contemplatieven leeftijd vrede sluit, meende ik. Weer een seizoen rust. Ze deeën plots absurd vrindelijk. Precies buurvrouwen die een relletje gehad hebben en smeuig honing-zoete koffie slobberen... Waar de goudkop liep, tippelde de haan voorzichtig achter haar aan en als de haan van z’n getippel genoeg had, wandelden de kippen mee, stappend waar de goudkop stapte, telkens bukkend en verliefd 'r voetsporen proevend. Vreemd
— die amikaliteit — dat statig volgen, zónder vechtlust, zónder oude verwoedheid, ’t Leek bijna eene slaafsche, laffe goedigheid, *n menschelijk niet-figuur-lijk hielengelik.
’s Middags bracht m’n vrouw het voer.
„O! O! Henk, kom ’ns ga^w!” riep ze angstig.
Langzaam pantoffelde ik aan, gewend an goud-kop-verontrustingén.