96 DAG BIJ SIEN
„Ja ze kunnen goed eten,” knikte moeder.
„O, moe, we hebben zóóveel pannekoeken gegeten!” vertelde ik uitbundig: „zus drie en ik vier!”
„Zoo,” zei vader: „daar kun je êt bést mee stellen. Toen ik jong was, heb ik wel eens minder gegeten!”
„Nou maar,’ wat meen u meneer!”, viel Sien beleedigd uit: „denk u dat Jk de jongeheer en de jongejuffrouw alleen pannekoeken voorgezet heb? Dat zou wat moois wezen! Nee hoor! — Vertel is jongeheer wat je nog meer heb gehad!”
,,. . .Nou,” zei ik: „we hebben eerst soep gehad en toén vleesch en aardappelen en toén” . . .
„Maar Sien!” knorde moeder: „hoe kun je nu toch zoo dwaas zijn, om voor kinderen zóó’n diner klaar te maken. En nog wel soep ook! Moest je je nu zóó uitsloven?”
„Ach wat!” lachte Sien glunder: „ik heb altijd me soepie as 9k bij u gewerkt heb!”
„Dan heb je zeker geld te veel,” meende moeder. „Wel nee, mevrouw,” lachte ze weer: „ik kook de beenen nog is af voor 5k ze wegbreng” . . .
„Heb je de beenen van vanmiddag nog eens in je soep gedaan?” vroeg moeder met een eenigszins onpleizierig gezicht.
„Nou öf ik!” zei Sien sekuur. „d’r blijft veel te veel kracht in, om as je ze eens gekluifd heb — ze zóó maar te verkoopen” . . .
Sien is lang dood — maar dat bordje soep vergeet ik niet licht.