DE MOF 85
lui . . . neem me niet kwalijk ... Ik was niet goed in orde . . . Waar zijn we gebleven ... O ja . . . Magedin, dat wil zeggen Mägdelein . . . Kom nou Pieters, jongen, let nou op . . . Schone wip beteekent. . . Sst! . . . Niet zoo lachen! Kom doe dat brood nou van tafel. . . Schone wip wil zeggen Schönes Weib . . . „Darümbe muosten degene vil Verliesen den lip . . .,” Dat moeten jullie zoo lezen: „Um die viele Degen müszten verlieren Leben und Leib” . . . Driebels, was heiszt nun Wip?”
„Wip? Wip? . . .”
„Weetje ’t niet? Dan jij?”
„Wip . . . Weib.”
„Gut so . . . Weiter. . . Die dritte Strophe.”
„De derde: „. . . Es pflegten sie drei Könige” . . .
Voor de klas stond-ie, steunend op de liniaal, bleek, met zware blauwe wallen onder de oogen, waarvoor de gouden bril schitterde.
Beneden werd twaalf geluid.
De jongens stormden de trappen af.
„Zeg, heb je opgelet, dat de Mof d’r niks van wist!” „Nou!”
„Wat ’n stommerik!”
„Stom? Wel nee . . . Die was dronken.”
„Ik zegje: de Mof weet ’t niet!”
„Morgen, mijnheer.”
„Morgen, mijnheer de directeur.”
„U hebt Willemsen uit de klas gezonden?”
„Jawel, mijnheer. Die jongen is zoo ongezeggelijk” . . . „Andere leeraren klagen toch niet. . . U heb niet voldoende tact... De jongens maken bij u zoo’n leven, dat uw collega’s er over spreken.. . Apropos .. . Hoe maakt het uw dochter? Al beter?”