78 WARREM
Op den stoffigen, gloeiend-heeten zandweg liepen ze naast elkaar, de armen om de pakken gewrongen. Moeder zweette, hijgde als een afgebeuld karrepaard, Trien stapte dof en gelaten, met een vuurrood verhit gezicht en lippen die gloeiden van dorst. Ze spraken geen woord. Om de groote, vierkante mansvoeten stoomden stofwolken.
De lucht was heet, laaiend-heet. Geen blad an de boomen bewoog. In de weiden stonden de koeien slap en zwaar bij de hekken. Alleen de kikkers schetterden bij het water.
,,Zie je de toren nog niet?”
„Nee.55
„Heb-je je niet vergist in de weg?55
„Nee mensch.55
„Ik val d5r bij neer.55
„Klaag zoo niet. Ik ben haast onpasselijk van de hette en je hoort me niks zeggen.55
„Hadden we zure balletjes gekocht!55
„Ja . . . hadden we! Daar schièt je mee op.55
De weg maakte een kromming, lei weer rechtuit, lang, recht-uit. Aan weerszijden weiden en koebeesten, slooten en knotwilgen. Geen enkele woning in 5t zicht. Brandend, verschroeiend scheen de zon. Ze liepen achter elkander, om in de smalle strook schaduw te blijven.
Trien droeg haar pak tegen de linker, moeder de koopwaren tegen de rechterheup. Midden op den weg lag het stoffige, wegrottend kreng van 5n raaf. Zwermen zwarte gore vliegen vlogen op, toen de vrouwen voorbijkwamen. In de lichtplas der sloot schoten lichtende, gloeiende stippen.
„Ken je je voeten niet oplichten. Ik stik van jouw stof.55
„God, mensch, loop jij dan vooruit!55
Hijgend, zweetend, stond Trien even stil, ging achter moeder loopen. De voeten schepten het stof van den weg. Kousen en schoenen waren vuil-wit beslagen. Elk oogenblik