WARREM
Naast elkander lagen ze in ’t gras. Trien snurkte, moeder’s rug veerde zachtjes op en neer. De zon blakerde de lichamen, blakerde het gras, blakerde de boomen, blakerde den heeten, grijzen, muilen landweg.
Trien lei met het hoofd op het pak manufacturen. Als een nimbus was ’r rood haar om het bruin sproetengelaat. Moeder tukte met den breeden, dikken, opgebolden rug naar den hemel gekeerd.
Het was warm. De zon begloeide den landweg. Dikke, logge vliegen bromden tusschen de halmen. Een bij — naast moeder’s toffel — gonsde laag langs den grond van de eene grasbloem naar de andere. In den stompigen wilg over de sloot, school een vogel in het groen. Een kikker kwetterde.
Het was warm. Onbewogen pluimde het gras, groen en stoffig. Over moeders lichaam kuierde een groote, bruine kever; bij het pak manufacturen kroop een duizendpoot.
Het was warm. Gerekt-klagerig klonk ’t kikkergekwek uit de sloot. De vliegen bromden. De bij snorde. Het gras lag onbewogen.
Plots duwde moeder een dikken pink in het linkeroor, rukte ’n paar maal nijdig, keek suf-slaperig op.
„Trien!” . . .
Ze bewoog niet, snurkte voort.
„Trie-ie-ie-n!”
Ze bleef snurken.
„Kom, luilak! Kom nou! Zei je wakker worden.”
„Wat is d’r? . . . Wat mot je?”
„Wor je haast wakker?”