74 DROOMPAARD
Hieruit maak ik op dat niet alleen een vallende kat op zijn pooten terecht komt.
Beneden begon de juffrouw van één hoog weer te zaniken. Het paard had haar spionnetje omgehaald, daarenboven met zijn kwispelende staart een bloempot van het kozijn geveegd.
„John!” brulde ik heesch: „Kun je niet beter afhóüen! Uilskuiken! Ezelskop! Als je denkt, dat dkt goed voor de beesten is, heb je 5t mis!”
Weer trok ik onrustig aan het touw, zet voor zet, geduldig, hijgend, zweetend, tot ik ’t hoofd weer boven den gootrand zag. Met inspanning van alle krachten, wond ik nu eerst het touw om een poot van het ledikant mijner hospita, klom in de goot, aaide het dier dat eenigszins nerveus was. In zijn manen hing het spionnetje van één-hoog, aan zijn rechterachterbeen een gedeelte van een balkon-balustrade. De huizen in de Pijp worden niet oversterk gebouwd. Ik greep het dier nu bij het gebit, poogde het op te tillen. Ik trok de voorbeenen over den rand heen en het verstandige dier trachtte zich op te zetten.
Maar op dit moment schoot het touw los van den poot van het ledikant en het scheelde weinig of ik ging mee omlaag. Weder hoorde ik de metalen klikken der neerkletterende hoeven en nogmaals, nu meerder uitgeput en afschuwelijk zweetend, begon ik de lijn in te halen. Het paard was het eerste balkonnetje al voorbij, toen John schreeuwde op te houden. Steviger dan straks bevestigde ik het touw, keek over den gootrand. Er stonden beneden heel wat nieuwsgierigen en een majoor van de politie.
„Dat mag zoo maar niet”, riep de agent.
„Waarom niet?” — riep ik.
„Omdat het niet mag”, riep hij weer.
„Nou ze motten gestald worden”, hijgde ik.