136 MIJN BEGRAFENIS
bool te gebruiken: de trams zijn de magere lapjes van vijfenveertig cent het pond. Maar dit wordt op deze wijze een reeks flauwiteiten en ’k moet naar serieuze dingen toe.
Wanneer ik zeer pertinent verklaar, dat ik volkomen tevreden ben met mijn maandelijksch budget, heelemaal geen begeeren heb naar brandkast, nóch andere veiligheidsmaatregelen, ’t opperbest kan stellen met driecentssigaren, enzoovoorts (verdere intieme détails alweer overbodig) dan zal niemand mij waarschijnlijk aanzien voor een dier mopperende burgerluidjes, die over den „rijkdom” chagrineeren en „rood” stemmen omdat ’n ander meer duiten heeft.
Maar toch — hier begin ik warm te loopen: deze heele opzet is slap gepuf — heb ik wel eens ’n bui van luilekker-landsverlangen en in het bijzonder hoop ik te gelegener tijd een éérste klas begrafenis te hebben. De sprong is idioot. Let op de malloote climax:
! huishoudboekje op dineeren in ’n equipage begrafenis,
maar dat doet er weinig toe en het verband komt straks. Dikwijls dacht ’k bij mezelf — als ’k 5r weer en nog eens over peinsde dat 5n éérste-klas-begrafenis zoo verleidelijk-sympa-thiek is — dat zulk een fantasie infaam, ziekelijk is. Wat kun je er aan doen ? De een smulhannest, de ander fokt hondjes. Ik ben dol, ’k zeg ’t zonder eenig grapje, haast zou ’k ’r mijn woord van eer op geven, op ’n echt-rijke, deftige begrafenis. Want kijk nu eens. Je heele leven knies je — als je voor magere lapjes en tram gepredestineerd ben — over sukkelige, wurmige, pietluttige nota’s en beertjes. Bij tijden zou je wel eens dolgraag uit den band springen, reizen naar Egypte, een nieuwe demi koopen, ’n veertien dagen in Parijs boemelen en geld wegsmijten, versta me wel, smijten, smijten, alleen uit