MIJN BEGRAFENIS 135
De bedragen vul ik natuurlijk niet in. In de eerste plaats, omdat het niemand aangaat, in de tweede omdat het er weinig toe doet in verband met hetgeen ik dadelijk ga zeggen. Trek ik bij die som voer voor honden en katten, dan ben ik burgerlijk-netjes op het evenwicht, stabiel, van mijn inkomsten, mits er geen labiele schokkingen plaats hebben van onverwachte, onvoorziene uitgaven, die er natuurlijk altijd zijn en wier nuttigheid ik geenszins onderschat, daar de grijze sleur van afgepast, precies op de cent uitgerekend leven, afschuwelijk petieterig lijkt. Gelukkig kan ik verklaren, dat die grijze sleur mij steeds bespaard bleef.
Eens, jaren geleden, ’k meen er iets van gezegd te hebben in den eersten Falkland, reed ik in een fraaie equipage van het station *** naar een buitenplaats, waar ik te gast was gevraagd.
Dàt was een der schoonste momenten van mijn leven, niettegenstaande de defdgheid van koetsier en palfrenier in groene liverei met gouden opslagen, mij zwaar neerdrukte, verbazend klein maakte. Ik verzeker u dàt er in hun oogen medelijden was, dat de statiekoetsier het een vernedering vond een zoo schunnig confectie-kostuum-individu te rijden.
Hij had gelijk. In zijn geval zou ik hetzelfde doen. Als ik dit schoon moment — dûs: het in equipage gezeten zijn, aankijkend tegen gegaloneerde rokspanden met initialen — oprakel en dit zoo direct na huishoudelijk gereken, doe ik zulks niet uit ijverzuchtigheid, uit verlangen naar contrasten of andere gemeene drijfveeren. Integendeel.
Het zou voor equipages hoogst compromittant zijn, wanneer haar aanzijn bij herhaling door het mijne gedeclineerd werd. Ik gevoel levendig, dat een equipage en Falkland er twéé zijn. Mijn predestinatie was de tram, in brooddronken buien een aapje. Ik zou allicht neiging hebben tot mijn palfrenier te zeggen: kom naast me zitten, vrind. Om een sym