ANGSTAVOND 123
dezer ondeugd onkiesch in dagen van nachtschuwlijke gruwbaarheid, maar de verzekering dat het echtpaar Duimelaar al van ’54, het jaar van hun stadhuisbezoek, aan vermoord-te-worden-manie leed, zal alle actualiteit aan dezen angst-avond ontnemen. Voor de ramen waren luiken met veiligheidssloten. De buitendeur had een ketting, een patentslot, twee grendels, ’s Nachts werden alle binnendeuren gesloten en keeshondje waakte. Voorzeker had de heer Duimelaar een bloedhond of buldog ter bescherming gekocht, ware het niet dat een gemeenschappelijke vrees voor tè groote honden hem en zijn vrouw daarvan ernstig terughield. Ook was hij vijand van revolver-geliefhebber. Een revolver is een gevaarlijk ding. Het gaat bij tijden vanzelf af, bij andere tijden springt het. De heer Duimelaar hield in niets van gewelddadigheid. Een kamer met véél sloten, een huis met véél grendels was hem 5t beste pantser tegen heftighedens des levens. Alsnu is het mogelijk om in richtig verband te vervolgen.
Mevrouw, mijnheer, keeshondje keken elkaar aan. ’s Avonds, ’s nachts half elf, wanneer men gezeten is voor een broodje met kaas en een kop koffie, alvorens het gekuischt slaapvertrek te betreden, heeft het luiden van de schel in een afgelegen buurt iets zwaar-onbehaaglijks. Van af ’54 was er zoo laat niet gescheld.
„Wie sou daar weese?” vroeg mevrouw met een angst-bevertje.
„Geen geval góéd volk, wróü,” zei meneer met zekere deftige geruststelling.
„Watèng,” meende mevrouw, die een Rotterdamsche was.
Keeshondje wefwefte.
Eenige oogenblikken hing een loom-zware stilte, tot de schel weder over de ijzeren pin knoerste.
„Blijf zitte, wróü,” vermaande de heer Duimelaar, bleek-