LATE HERFST 209
manier kwam ’r verkeer tusschen twee buren, die mekaar anders links hadden laten liggen.
Op ’t eerste gezicht was 91 huishouden daar, ’n weinig bizar. De grijsaard, dien wij zoolang als grootvader beschouwd hadden, was waarlijk de man — de moeder, ’n jonge vrouw van hoogstens vijf en dertig, na 9r bevalling niet zoo goed meer te been, deed ’r werk binnenshuis, waagde zich zelden aan ’n wandeling. Je hoefde ’r niet aan te twijfelen: 9n huwelijk uit genegenheid. Met stukjes en beetjes hoorden we de bizonderheden van ’n geval, dat uitsluitend door ’t verschil in leeftijd opmerkelijk leek.
De grijsaard maakte een interessanten indruk. Hij had 9n scherpzinnigen kop, fijnbesneden en vriendelijk. Z’n zilveren haren, in tweeën gescheiden, pluimden als ’n sneeuwval om de slapen — Pascal, zooals ’k me dien van Zola voorstel. Als-ie lachte, zag je 'n mond met gave tanden; als-ie vertelde, kreeg-ie iets zóó sympathieks, dat 9t je als vrouw hoegenaamd niet verwonderde, hoe-ie, bijna zeventig, *n verovering gemaakt had, die ’r wezen mocht. Want zij met 9r jong, blozend gezicht, ’r weelderigheid van blond haar, was ’n door en door appetijtelijk vrouwtje, dat makkelijk ’n jongeren man had kunnen verschalken. Op ’n middag met hem en weer genezen Sjefje door de bosschen kuierend
— we konden 9t na ’t gebroken ijs best met elkander vinden — deed ’k ’n paar indiscrete vragen
— wij hebben nu eenmaal die aanleg! — en zonder me op de vingers te tikken, gewend aan dat soort belangstelling — gaf-ie ’n begrijpelijke verklaring van z’n laat huwelijk, ’n korte, droge uiteenzetting.
Als jonge man had-ie dikwijls verliefdheid gekend, tè dikwijls lachte-ie, maar de heele collectie malligheden moesten in den doofpot, omdat-ie z’n ver-
SCHETSBN FALKLAND. XII. 14