208 LATE HERFST.
leeftijd heeft nog zoo weinig besef. Ze noemen ieder pappa, ieder oom. Wij verwonderden ons dus alleen over de stilte der buren, over de ongewone teruggetrokkenheid, over ’t nooit zien van iemand, die de vader kón zijn, en — omdat ons eigen huwelijk kinderloos bleef — vertroetelden we, afgunstig op menschen die zoo onverschillig met ’n charmant ventje omgingen, den brutalen kleuter, die de pas geschoren grasbanden stuk trapte, de knoppen van de stamrozen brak, met de voorwerpjes van de étagère scharrelde, en met z’n wijsvinger de oogen van Fox wou peilen, om te zien hoe diep de gaten waren. Ik wil wel weten, dat m’n prettigste bezigheid ’t beantwoorden van de eindelooze vragen van ’t kind was. Als-ie zoo bij me in de kamer ravotte, of met hoog-opgetrokken beentjes honderd maal aan één stuk herhaalde: „en hoe hiet dat, tante? — en dat? — en dat?” — kon ’k ’m in m’n armen knuffelen, ’m dingen in z’n oor zeggen, zooals ik me verbeeld dat ’n moeder doet. Z’n suikertje, z’n koekje stonden altijd klaar. M’n man en ik hielden dolveel van die heerlijke, open, altijd klare en wonderlijke kinder-oogen. Begrijp je dat ’t ons verbaasde, hoe de ouders of tenminste de moeder, zich er heelemaal niet over bekommerden, waar ’t ventje heele uren zat, wie de buren waren, die den kleinen zwerver inpalmden? De feitelijke kennismaking was heel eenvoudig. Twee, drie dagen hadden we Sjef — zoo heette de dot — niet gezien. Toen, met ’t land in dat ik de eerste moest zijn, trok ’k op bezoek. Sjef had de mazelen, lei hoestend, met tranende oogjes te bed. Toch zat-ie op van plezier, dat ik was gekomen — wou met me mee. Na dien middag wipte ’k dikwijls over, dan met ’n zoetigheidje, dan met ’n malsch-gestoofde perzik, dan met ’n prentje — zooals je met kinderen doet. En op die