202 GESTOORDE WEELDE-WANDELING.
speelster, welke om den avond een ruiker bebuigt, ZSLg ’t glimlachen niet meer, hoorde geen opmerkingen meer — hij stond door de lengte der lijdensjaren boven ’t rumoer van ’n tijd, die zooveel onaangename notitie van lengte- en breedtegraden nam. Voor jaren en jaren, nog tijdens ’t leven van René Bonheur, was-ie ’r wel ’ns ingevlogen, als ’n kwaje rakker waarschuwde, dat 't hondje hinkte, dat andere honden achter Carmen meeliepen, dat Gladstone ’n smerige kluif in z’n bek hield, dat Newton geplaagd werd. Maar stilstaand, omdat z’n vervetting niet toeliet ’t hoofd te draaien, holden de ondeugende smakkers vort, moest-ie van beschaafde omstanders ’n verfijnder glimlach ondergaan. Nu met J i m m y, dat ongemeen engeltje, ’t geweldig-verstandig snoesje, ’t welk goddank radi-kaal van de hondenziekte hersteld was, kon ’m de hoon niet meer geschieden. Het verstand alléén groeit niet met de jaren, ook berusting in spotternij en bekijks.
Op dien blij moedigen Zondag, na de lezing der post in ’t kantoortje, na de inspectie van magazijn en voorpui, de pui met ’r pas aangebrachte schildjes, ’r hooghartig „Je Maintiendrai”, stapte de heer Maximiliaan Braat, deftig-krakend in z’n Zondagsche bottines door de Hoogstraat naar ’t Bosch. Rechtop, de breede neusvleugels in den wind, genoeglijk grommend om de post die ’n paar aardige orders uit de provincie had gebracht, diepst-weelderig door z’n hofleverancier-schap èn ’n smakelijk ontbijt met ’n verschen Hollandschen haring, de linkerduim in den broekzak met de lus van ’t leertje, in de rechterhand den wandelstok, beluisterde hij ’t tinkelen der achter hem aan vroolijkende halsband-schelletjes. Zoolang-ie dat vrindelijk getinkel hoorde, kon-ie