GESTOORDE WEELDE-WANDELING. 201
glimlachte ieder-die-beschaafd-was bescheiden, en ’t minder-opgevoed straatpubliek grinnekte openlijk, lompe toespelingen makend op den buik des wel-gedanen en den schrielen schipper, die pas hersteld van de hondeziekte, duidelijk-zichtbare ribjes had. Aan dien glimlach, ingehouden of brutaal, dien kleinsteedschen, dommen glimlach was de heer Braat gewend geraakt. Hij behoorde tot ’t genre mensch, schrijver, schilder, tooneelspeler, musicus, publiek of politiek persoon, dat langs de openbare wegen, in koffiehuizen en theaters de eer geniet bekeken te worden. Al heeft Holland amper ’n scheutje respect voor de ongelukkigen, die aan meer intellect dan geld laboreeren, het gunt dezen lieden bekijks, bekijks van de voeten tot het haar, bekijks bij eten en drinken, bekijks als in ’n rariteiten-spul met vijf-pootige beesten, uitwassen, misvormdheden. De heer Braat, door z’n ongewoon embonpoint, z’n speknek, z’n vleezige schouders, z’n mateloozen buik, z’n miniatuurhondje, was ingedeeld bij de Bekekenen. De wandelaars van goeden huize, glimlachten, zeiden: „Braat — met z’n hondje” .... Het middelsoort publiek keek meer gedecideerd-lachend, zeide: „De dikke schoenmaker uit de Hoogstraat met z’n verscheurend dier" .... Het plebs, de kwajongens en straatmeiden, lachten niet alleen hoorbaar — ze stonden stil, spraken onwelvoegelijkheden, als: „Die hond mot nog groeien voor-ie zoo’n buik het!", of: „Meneer, je hond is losgebroken!” of: „Je mag ’m wel muilkorven, buikie!” Hoogst-zelden gebeurde ’t dat ’n kind lief genoeg dee, om iets bewonderends over ’t schippertje te getuigen.
Maximiliaan Braat, onverschillig, door de wol geverfd als ’n drama-schrijver, die bij herhaling z’n naam op aanplakbiljetten ziet, öf als ’n onderlegd criticus die vele brieven krijgt, óf als ’n tooneel-